Vroeger kwam de dokter met tas gewoon op de fiets.
Vroeger kwam de dokter met tas gewoon op de fiets. Foto: Shutterstock

Column Kaatje Knip: Ik ben er nog!

Vroeger had je in Oldenzaal nog huisartsen van het type Essink. Man met een colbert dat naar tabak, pepermunt en wondermiddelen rook. Hij kwam niet met een laptop, maar met een leren tas waar alles in zat, verband, pillen, een thermometer die je eerst moest schudden alsof je er boter van wilde karnen, en niet te vergeten het beroemde kleine spiegeltje.

Dokter Essink belde niet eerst aan, hij stond gewoon in de gang. Niemand wist hoe hij binnenkwam. De deurbel ging niet, de hond sloeg niet aan, en toch stond hij daar. "Zo, waar ligt ze?” zei hij, terwijl hij zijn hoed op de kapstok hing alsof hij er al twintig jaar woonde. 


Oma lag ziek in bed, ernstig ziek. Zo ernstig dat de buren Albers en Doorenbosch al voorzichtig fluisterden over zwarte kleding en cake met rozijnen. Dokter Essinkkeek, bromde, voelde de pols en zei: "Hmm.” Dat was zijn diagnose. Iedereen wist dat "hmm” iets betekende tussen ‘valt mee' en ‘we zullen zien'.


Toen opa Steven Derksen, hij had een Spoorwegongeluk gehad en miste beide benen, zich zorgen maakte, gaf dokter Essink een advies dat tegenwoordig waarschijnlijk in geen enkel medisch protocol staat: "Laat een draaiorgel voor de deur spelen.” Opa keek even, knikte en regelde het. Nog dezelfde middag stond er een draaiorgel in de Carmelstraat te spelen alsof de kermis in de straat was neergestreken. En zie, oma kwam overeind. “Wat is dat voor herrie?” zei ze. “Je leeft nog,” zei dokter Essink tevreden. Diagnose bevestigd.


Tegenwoordig gaat dat anders. Je wordt ziek en belt de huisarts. Eerst krijg je een bandje: “Toets 1 voor levensbedreigend, toets 2 voor niet levensbedreigend, toets 3 als u twijfelt of u nog leeft.” Na tien minuten in de wacht krijg je een assistente die vraagt: “Kunt u de klachten omschrijven in drie woorden?” “Ja,” zeg je. “Ik ga dood.” “Dat zijn er vier,” zegt ze vriendelijk.


Vroeger kwam dokter Essink langs met zijn fiets, regen of sneeuw, en hij parkeerde gewoon tegen de gevel. Tegenwoordig krijg je een videoafspraak. Je zit in pyjama voor je telefoon terwijl de huisarts zegt: “Kunt u de camera iets dichterbij houden?” Je probeert, maar ziet alleen je eigen neus van dichtbij. “Ja,” zegt de huisarts, “ik denk dat het verkoudheid is.” En dat beroemde spiegeltje? Dat bestaat nog, maar nu digitaal. Tegenwoordig kijkt de huisarts naar je smartwatch. “Uw hartslag is 72,” zegt hij. “Maar ik voel me dood,” zeg ik .“Ja, maar uw app zegt van niet,” zegt ze geruststellend.


Oma had vroeger ook haar momenten. Ze deed meerdere pogingen om in te slapen, zoals dat toen nog netjes heette. Dokter Essink kwam langs, haalde zijn kleine spiegeltje uit zijn colbert, hield het voor haar mond en zei: "Anna is nog niet dood.” Dat was de hele behandeling. Geen rapport, geen dossier, geen verwijzing. Gewoon een spiegeltje en een uitspraak. Tegenwoordig zou dat anders gaan. De huisarts zou eerst vragen: "Op een schaal van 1 tot 10, hoe dood voelt u zich?” Daarna volgt een vragenlijst van 38 pagina's, een verwijzing naar een specialist, een app om je stemming bij te houden en een folder over mindfulness. Maar eerlijk is eerlijk: beide hebben iets. Vroeger had je het gevoel dat de dokter alles wist, zelfs als hij alleen "hmm” zei. Nu weet de dokter misschien niet alles, maar je krijgt wel een pdf van twaalf pagina's. En toch... ergens missen we het wel. De dokter die onverwacht binnenstapt, de leren tas, het draaiorgel als medicijn. En dat kleine spiegeltje dat meer zei dan duizend dossiers. Soms is geneeskunde gewoon kijken, luisteren... en zeggen: "Ik ben er nog."

Ook de medische wereld werkt steeds digitaler.
Pen